Geschiedenis van drie generaties vrouwen leidt tot nalatenschap van vier miljoen

Na de onafhankelijkheidsoorlog van Indonesië, haar geboorteland, studeerde Trudie Vervoort-Jaarsma (1929-2015) Psychologie aan de UvA. Zij liet het Amsterdams Universiteitsfonds zo’n vier miljoen euro na, ter nagedachtenis aan haar moeder en dochter en om nieuwe generaties studenten op weg te helpen.

tekst: Albert Goutbeek

Eind 2015 krijgt Carolyn Wever, directeur van het Amsterdams Universiteitsfonds, een telefoontje van oud-notaris Ruud van Helden. Of hij even langs kan komen. Op Wevers zolderkamer in het Maagdenhuis legt Van Helden uit dat UvA-alumna Trudie Vervoort-Jaarsma, die kort daarvoor is overleden, een bedrag van omstreeks vier miljoen euro bij testament heeft nagelaten aan het Amsterdams Universiteitsfonds. Wever is uiteraard blij verrast, vooral vanwege de ongekende omvang van de nalatenschap. ‘Dit is het grootste bedrag dat ooit door een particulier is nagelaten aan een Nederlands universiteitsfonds.’ 

Toch past de nalatenschap in een traditie. Geven ten behoeve van de universiteit is zo oud als de universiteit zelf en ook grote bedragen zijn niet uniek (zie tekst hieronder). De erflater past bovendien naadloos in het profiel van de exemplarische schenker: mevrouw Vervoort-Jaarsma studeerde aan de Universiteit van Amsterdam en was lid van de Amsterdamse Universiteits-Vereniging. Zij gedenkt met haar schenking overleden familieleden, die op hun beurt ook affiniteit hadden met de wetenschap.

‘Een nalatenschap ontvangt het fonds niet elk jaar, maar is op zichzelf niet uitzonderlijk’, zegt Wever. Grofweg een derde van het vermogen dat het Amsterdams Universiteitsfonds beheert, vindt zijn oorsprong in een nalatenschap. Meestal is er vooraf contact met de schenker, vaak jarenlang. Zo zijn er donateurs die een Fonds op Naam instellen bij het Amsterdams Universiteitsfonds en aangeven dit fonds ook te hebben opgenomen in hun testament. Anderen geven bij leven nog niet daadwerkelijk aan het universiteitsfonds, maar maken wel kenbaar dat zij hun nalatenschap bestemmen voor universitaire doeleinden. ‘Dan kun je dus samen bespreken wat mensen beweegt, wat zij belangrijk vinden en welke doelen zij gerealiseerd willen zien worden. Dat heeft mevrouw Vervoort-Jaarsma gedaan met haar notaris, en gelukkig hebben we contact met haar nicht, die ons over haar tante en haar bijzondere familiegeschiedenis kan vertellen.’ Toch had Wever Vervoort-Jaarsma graag ook persoonlijk ontmoet. ‘Al was het maar om haar te bedanken voor al het moois dat haar nalatenschap mogelijk maakt.’

Nederlands-Indië

Trudie Vervoort-Jaarsma

Trudie (Gertrude) Vervoort-Jaarsma (1929-2015) is de langstlevende van de drie dochters van het spraakmakende juristenechtpaar Jaarsma-Adolfs. Over het paar doen zeker zoveel verhalen de ronde als er feiten bekend zijn. Sytze Jaarsma, telg uit een geslacht van herenboeren uit het Friese Wartena, studeert rechten en promoveert later op een onderzoek naar het grondrecht van de Europeanen in Nederlands-Indië. In de familie gaat het verhaal dat hij naar de toenmalige kolonie vertrekt nadat hij in Nederland gokschulden maakt en verwikkeld raakt in een dispuut met zijn vader over de erfenis.

Julia Adolfs komt voort uit een Nederlands-Indische familie van gemengd bloed. Haar vader is een Nederlandse migrant die trouwt met een Indische dame uit een voorname familie met een stoeterij op Java. Een van haar broers is de schilder Gerard Adolfs. Studeren is in die dagen voor een vrouw eigenlijk niet weggelegd, maar ambitieus als zij is, slaagt zij erin contact te leggen met familie in het verre Nederland en daar onderdak te krijgen als studente. In Leiden sluit zij zich aan bij het studentencorps en voltooit zij haar rechtenstudie. Terug in haar geboorteland wordt zij ‘de eerste vrouwelijke advocaat in Nederlandsch-Indië’, aldus De Indische Courant van 28 maart 1927. 

Julia Adolfs treedt toe tot het advocatenkantoor van Sytze Jaarsma in Soerabaja, met wie zij trouwt en drie dochters krijgt. Vader Sytze is een studeerkamergeleerde, moeder Julia degene die naar buiten treedt, lezingen geeft en naam maakt als advocaat. Een voormalig rechter schrijft in 1972 dat zij niet alleen de eerste vrouwelijke jurist in Nederlands-Indië is, maar ook de beste: ‘Zij was beslist een strafpleiter van formaat en de beste, die ik tijdens mijn lange carrière van bijna een halve eeuw heb ontmoet.’

De publiciteit rond Julia is niet louter positief. In sommige bronnen wordt zij aangeduid als ‘advocaat van kwaaie zaken’, vertelt haar kleindochter Janine Prins. Volgens niet geverifieerde verhalen – ‘broodje aap’, aldus Prins – zou zij een vermogen hebben verdiend door zich als advocaat vooral in te spannen voor Chinese cliënten die in de havenstad Soerabaja actief waren in de smokkelhandel. Voor elke gesmokkelde partij zou zij een percentage van de winst hebben ontvangen. Dat haar huis in Nederland later vol staat met Chinese vazen en andere snuisterijen, kan wijzen op de vermeende Chinese connectie, tegelijkertijd zijn er aanwijzingen dat zij als jurist veelvuldig werkt voor olieconcern Shell.

Hoe het ook zij, Julia Adolfs verdient goed geld, dat zij vervolgens investeert in de aankoop van huizen die zij verhuurt. In haar hoogtijdagen zou zij honderdtien huizen in bezit hebben, waarvan de huuropbrengsten worden belegd. 

Maar na de onafhankelijkheid van Indonesië raakt zij haar onroerend goed kwijt, doordat de huizen worden genationaliseerd. Nog jarenlang voert zij processen om haar voormalige eigendommen op te eisen, zonder noemenswaardig resultaat. In archieven zijn processtukken terug te vinden die alle het stempel dragen ‘schadeclaim afgedaan’. Pas in 1961, als vele (Indische) Nederlanders de voormalige kolonie al lang hebben verlaten, vertrekt ook Julia Adolfs naar Nederland, haar dochters achterna.

Bersiap

De drie meisjes Jaarsma, onder wie Trudie, zijn al eerder naar Nederland gestuurd om Indisch recht te studeren. Nadat zij tijdens hun jeugd drieënhalf jaar geïnterneerd zijn geweest in verschillende Japanse kampen en zij de Bersiap in alle hevigheid meemaken – hun ouderlijk huis in Soerabaja bevindt zich tijdens de onafhankelijkheidsoorlog precies in de vuurlinie – is het voor hen geenszins eenvoudig om een bestaan op te bouwen in het kille Nederland, dat zij alleen uit de schoolboekjes kennen. Niet alleen de overgang van Azië naar Europa is ingrijpend, ook het feit dat zij zich zonder ouders in de buurt moeten zien te redden – al zijn de instructies van het juristenpaar duidelijk. Studeren mag, maar uitsluitend Rechten, of eventueel Geneeskunde of een ingenieursopleiding. Dat Trudie eigenlijk Psychologie wil studeren, valt dus niet in goede aarde.

Trudie Jaarsma begint braaf aan haar studie Indisch recht in Leiden en behaalt haar kandidaats. Pas daarna durft zij Psychologie te gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Zij trouwt met een vakgenoot, de reclamepsycholoog Elie Vervoort, en krijgt een dochter, Madeleine Julie. Trudie werkt als kinderpsycholoog, maar pubers behandelen, dat kan zij niet. Volgens Janine Prins heeft dat ermee te maken dat Trudie zelf in die leeftijdsfase in het kamp zat. Prins vermoedt dat zij heeft geleden aan wat wij tegenwoordig kennen als posttraumatische stressstoornis (PTSS).

Madeleine Vervoort, die net als haar moeder Psychologie studeert aan de UvA, heeft na haar studie een tijd lang een succesvolle carrière bij computerproducent IBM. Zij trouwt, blijft kinderloos, beëindigt haar huwelijk en wordt ziek. Madeleine overlijdt in 2010, 48 jaar oud. ‘Oorlogstrauma’s hebben vaak hun uitwerking op de volgende generatie’, zegt Prins. ‘Ik ben ervan overtuigd dat Madeleines leven is getekend door het tweedegeneratiesyndroom.’ 

Jaarsma

Madeleine, die afstudeerde met psychonomie als specialisatierichting, was van de school ‘meten is weten’. Dat er nu steeds meer inzicht komt in wat zich feitelijk afspeelt in de hersenen, ook van mensen die kampen met een stoornis of trauma, had haar aangesproken, denkt Prins. ‘Inzicht in de harde kant van de zachte problematiek, dat had zij prachtig gevonden.’

Schoenen

De nalatenschap van Trudie Vervoort-Jaarsma is niet los te zien van haar familiegeschiedenis. Zij koos ervoor niet haar eigen naam daaraan te verbinden, maar haar dochter en moeder te eren met twee naar hen vernoemde fondsen. ‘Dat tekent haar’, zegt Prins. ‘Zij was er heel goed in zichzelf weg te cijferen. Ondanks het vermogen waarover zij beschikte, gaf ze nauwelijks een cent uit aan zichzelf. Ze liep op schoenen die helemaal door waren. En ze bewaarde alles, wat typerend is voor mensen die een oorlog meemaakten. “Je weet maar nooit of dat plastic bakje nog eens van pas komt.”’ Prins houdt de herinnering aan haar tante Trudie graag levend. ‘Zo bescheiden over zichzelf had zij niet hoeven zijn. Mijn tante beschikte niet alleen over een innemend gevoel voor humor maar was bovendien een uitzonderlijk begaafd iemand, vooral in het observeren van mensen.’

Beide fondsen, die zijn ingesteld bij het Amsterdams Universiteitsfonds, verlenen beurzen aan studenten en promovendi. De doelstelling is ruim omschreven, wel zijn enkele accenten gelegd die niet toevallig zijn gekozen. Bij het naar Madeleine vernoemde fonds gaat het om reisbeurzen, uit het Julia-fonds kunnen ook subsidies worden verleend voor wetenschappelijk onderzoek, met name aan de Faculteit der Rechten. ‘Madeleine hield van reizen, mijn oma reisde zich een slag in de rondte om überhaupt te kunnen studeren’, aldus Prins. ‘Reizen is een constante in de familie en tante Trudie was zich ervan bewust hoe belangrijk het kan zijn om voor je studie te moeten reizen.’ De rechtenfaculteit wordt vanzelfsprekend genoemd vanwege de professionele achtergrond van Julia Jaarsma-Adolfs.

Weet Janine Prins of haar tante nog een specifieke wens koesterde voor de besteding van haar nalatenschap? ‘Buiten de geformuleerde doelstellingen – nee. Ja, toch, één ding. Ze was zuinig, maar noemde dat zelf zorgvuldig, selectief. Op die manier zou ze haar geld besteed willen zien, aan de harde werkers, niet aan de flierefluiters. En over het fonds dat haar dochters naam draagt, zei ze: “Ze moeten er wel een beetje lang mee doen.”’

Quarks

In de ruim geformuleerde doelstelling is de invloed zichtbaar van oud-notaris Ruud van Helden, zelf ook UvA-alumnus. Op de vraag of hij behalve over de doelstelling ook heeft meegedacht over de bestemming van het vermogen van Trudie Vervoort-Jaarsma, antwoordt hij: ‘Wie dat denkt, overschat de invloed van de notaris. Mensen bepalen zelf wat ze met hun geld doen, en zo hoort het ook. Je kunt alleen adviseren om de zaak niet te veel te versnipperen en de doelstelling ruim te formuleren.’

Waarom ruim? Als iemand aan een heel specifiek doel wil nalaten, is dat toch prima? ‘Uiteindelijk vaak niet. De maatschappij verandert en de wetenschap ook, je weet nu niet wat er over twintig, dertig jaar nodig is. Geef de ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Wie had zestig jaar geleden gehoord van onderzoek naar quarks? Daarom adviseer ik altijd: formuleer de doelstelling zo breed mogelijk. Als je vertrouwen hebt in het goede doel waaraan je geeft, geef het bestuur dan de vrijheid om te bepalen aan welke specifieke projecten je geld wordt besteed.’

De onafhankelijke positie van het bestuur van een goededoelenstichting is daarom cruciaal, zegt Van Helden. ‘Universiteitsbestuurders zitten een aantal jaar, hebben hun eigen speerpunten en zijn verantwoordelijk voor een dekkende begroting. Die moet je niet vrijelijk laten beschikken over de middelen die particuliere schenkers opbrengen. Het onbezoldigde bestuur van het Amsterdams Universiteitsfonds is ongevoelig voor de waan van de dag en let erop dat de gelden worden besteed conform de eigen statutaire doelstellingen en de wensen van de gever.’

Heeft de universiteit zelf dan niets met de fondsenwerving van doen? Jawel: de UvA investeert in alumnibeleid en fondsenwerving, wat onder meer resulteert in een toename van de inkomsten. Actief vragen werkt, zo geeft alumnus Economie Victor Halberstadt aan. Hij stelde een Fonds op Naam in bij het Amsterdams Universiteitsfonds met als doelstelling de verstrekking van studiereisbeurzen aan promovendi Economie. Halberstadt, die in 1964 aan de UvA afstudeerde en later vier decennia aan de Universiteit Leiden was verbonden als hoogleraar Openbare financiën, stelde eerder al een fonds in bij de Universiteit Leiden.

Waarom deed hij vervolgens hetzelfde in Amsterdam? ‘Heel simpel: omdat het mij werd gevraagd.’ Tijdens een universitaire gelegenheid stond hij te praten met universiteitshoogleraar Henk van Os en toenmalig collegevoorzitter Louise Gunning, die hem de suggestie aan de hand deed. Het was precies vijftig jaar geleden dat hij afstudeerde aan de UvA, een mooie aanleiding om iets terug te geven. ‘Henk heeft net een Fonds op Naam ingesteld, zei Louise. Zou dat niet ook iets voor jou zijn? Dat wilde ik wel, ik geloof erg in giving back.’

Halberstadt vindt dat afgestudeerden uitdrukkelijker moeten stilstaan bij wat hun opleiding betekent voor hun verdere leven. ‘Juist daarom zijn wij de eigen universiteit veel verschuldigd.’ Bovendien heeft de staat bijna alle studiekosten gedragen. ‘Dan zegt menigeen: daarom betaal ik toch belasting? Dat is een verkeerde redenering. Wij zijn gewoon bevoorrecht omdat de samenleving onze opleiding mogelijk heeft gemaakt. Ik vind daarom dat – ieder naar vermogen – terug moet geven aan de eigen universiteit. Dat moet ook in Nederland heel normaal worden.’

Dit artikel verschijnt in SPUI magazine 44 (juli 2016).

De noodzaak van vrienden

Geven en nalaten aan de wetenschap en de universiteit begint al met de oprichting van het Athenaeum Illustre in 1632, voor en door de gegoede burgerij en kooplieden van Amsterdam. Tal van private schenkingen vinden vanaf dat moment hun weg naar de universiteit. In 1889 wordt een grote inzameling gehouden voor de bouw van een aula bij de Oudemanhuispoort. Het inzamelingscomité, een groep hoogleraren onder leiding van rector magnificus Jan Carel Matthes, is nog maar net begonnen met werven onder Amsterdamse burgers en alumni van de universiteit, of er komt onverwacht een gift binnen die zo groot is dat de bouw in een keer kan worden gefinancierd. Tabakshandelaar Rudolf Lehmann schenkt het benodigde bedrag van 40.000 gulden, met als voorwaarde dat de nieuwe aula wordt gebouwd ter herinnering aan zijn overleden broer Leopold, die hoogleraar Verloskunde was.

Om de overige gelden die inmiddels al waren opgehaald met deze succesvolle wervingsactie ook een nuttige bestemming te geven, wordt op advies van de Amsterdamse burgemeester Van Tienhoven de Amsterdamse Universiteits-Vereniging (AUV) opgericht. Hij ziet in dat de destijds gemeentelijke universiteit behalve de stad ook vrienden nodig heeft om op te komen voor de belangen van de instelling en om aanvullende financiering te bieden voor leerstoelen, studiebeurzen en onderwijsvoorzieningen. Rector Matthes, die de eerste voorzitter wordt van de nieuwe vereniging, roept de ‘nijvere kooplieden, wakkere burgers en oud-studenten’ op om ‘steunpilaren der stedelijke Universiteit te zijn’.

Anno 2016 is er niets nieuws onder de zon. Ook de Stichting Amsterdams Universiteitsfonds, zoals het voormalige AUV-Fonds tegenwoordig heet, werft onder alumni en vrienden van de universiteit om extra’s mogelijk te maken waarin de overheidsfinanciering niet voorziet. Uit de beschikbare middelen worden uitkeringen gedaan voor onderzoek, studie- en reisbeurzen, academisch-cultureel erfgoed en studentenvoorzieningen. De afgelopen jaren keert het universiteitsfonds gemiddeld ongeveer een miljoen euro per jaar uit aan toekenningen.

Meer over de historie van fondsenwerving ten behoeve van de universiteit is te lezen in het boek van Rogier Overman over de geschiedenis van de AUV, Een welkom academisch gezelschap. Geschiedenis van de Amsterdamse Universiteits-Vereniging 1889-2007 (Aksant, 2008).

Gepubliceerd door  Bureau Alumnirelaties en Universiteitsfonds

4 juni 2016