Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

De ABCD - Amsterdam Born Children and their Development - studie is een grootschalig en langlopend onderzoek naar de gezondheid van kinderen vanaf het allereerste begin: vanaf de zwangerschap worden kinderen gevolgd tot ze volwassen zijn. Tanja Vrijkotte werkt voor het Amsterdam UMC en is de projectleider van de ABCD-studie. In dit interview legt ze uit wat het belang is van het onderzoek en hoe de bijdrage van het Amsterdams Universiteitsfonds hen helpt hun doelen te bereiken.

Afbeelding: Amsterdam UMC

Wat is het doel van de ABCD-studie?
‘Wij volgen een groep kinderen die in 2003-2004 zijn geboren al vanaf de zwangerschap van de moeder. Wij kijken naar de ontwikkeling en gezondheid van deze kinderen, door vragenlijsten te analyseren die hun moeders, vaders en zijzelf invullen en door lichamelijke metingen te doen. Het belangrijkste doel van de ABCD-studie is het inventariseren en analyseren van factoren in het vroege leven, tijdens de zwangerschap van de moeder en op de jonge kinderleeftijd, die een mogelijke verklaring vormen voor hun gezondheid wanneer ze volwassen zijn en gezondheidsverschillen tussen mensen.’

Hoeveel families doen mee aan de studie?
‘Tijdens de zwangerschap deden ruim 8.000 vrouwen mee. Het oorspronkelijke idee was om alleen de zwangerschap te volgen. Niet alle zwangeren hebben toestemming gegeven voor de follow-up. We hebben nu nog zo’n 5.600 kinderen die we volgen. De eerste vragenlijst was tijdens de veertiende week van de zwangerschap, daarna kregen we de geboorte-uitkomsten teruggekoppeld. Daarna hebben we contact gehad bij 3 maanden, bij 5/6 jaar, bij 7/8 jaar, bij 11/12 jaar en 15/16 jaar. We volgen de kinderen tot ze 25 jaar zijn.’

Wordt er momenteel al gebruikgemaakt van de data uit het onderzoek?
‘Ja, er zijn al bijna 200 publicaties verschenen. Vanaf het begin van de ABCD-studie zijn er onderzoeken gedaan met de resultaten, in het eerste stadium bijvoorbeeld over het slikken van foliumzuur onder zwangeren. Bij Nederlandse vrouwen wordt dat door zo’n 80 procent gedaan, bij Turkse en Marokkaanse vrouwen is dat nog geen 30 procent. Hoe dat komt? Taal speelt daarbij een belangrijke rol. Als je de taal niet goed begrijpt, krijg je de voorlichting hierover niet goed mee.’

(Illustratie: Amsterdam UMC)

Waar staan jullie nu met de studie?
‘We zijn bezig met een nieuwe dataverzameling, de kinderen zijn nu 15-16 jaar. Het is nu lastiger om de kinderen te bereiken. Als het kind 16 is heb je alleen de toestemming van het kind nodig. Eerder hadden de ouders nog wel overredingskracht, maar nu krijgen we regelmatig afmeldingen van ouders die aangeven dat hun kind er geen zin in heeft. Als dit het geval is, is het voor ons nog wel steeds interessant dat de moeder meedoet, want zij kan informatie verschaffen over haar kind. We verwachten dat het een tijdelijke fase is, tijdens de pubertijd, en dat de jongeren over een paar jaar weer mee willen doen.’

Worden de ouders tussentijds op de hoogte gehouden van de resultaten van het onderzoek of van hun eigen kind?
‘Dat verschilt. We hebben eerdere metingen zoals uitslagen van het bloedonderzoek teruggekoppeld aan de ouders. De vragenlijst die het kind zelf invult rapporteren we niet terug naar de ouders, want de jongeren willen dat de privacy gewaarborgd is. Als de kinderen 15/16 jaar zijn, zitten er bijvoorbeeld vragen tussen over alcohol en drugs. We rapporteren wel terug naar het kind zelf. Geen goed of fout, maar hoe zij scoren ten opzichte van hun leeftijdsgenoten, bijvoorbeeld als het gaat om slaapproblemen. Dat vinden zij interessant om te weten. Ook sturen we ieder jaar een nieuwsbrief en een jaaroverzicht waarin we op een leuke manier vertellen over de voortgang van het ABCD-onderzoek en de onderzoeken waarin de data zijn gebruikt.’

Tanja Vrijkotte, projectleider ABCD-studie

Hoe is de kennis die jullie hebben opgedaan vertaald naar de praktijk?
‘Wij hebben een grote bijdrage geleverd aan de trend dat de eerste duizend dagen essentieel zijn bij de ontwikkeling van het kind. Bijvoorbeeld door aan te tonen dat overgewicht van de moeder de belangrijkste determinant is van overgewicht bij het kind. En dat stress, depressieve gevoelens en angstgevoelens in de zwangerschap voorspellers zijn van gedragsproblemen bij het kind. Deze aspecten blijven ook vaak in een gezin aanwezig; depressie, angst en overgewicht spelen meestal niet alleen in de zwangerschap een rol, maar ook als het kind opgroeit.

Als je daar interventies op kunt bedenken, dan ben je al vroeg in het traject van het kind om het te proberen bij te sturen. Dan kun je bijvoorbeeld ondersteuning bieden aan het gezin op het gebied van voeding, slaap en bewegen. Als je dat heel vroeg doet dan heb je daar het meest profijt van. Hoe vroeger je erbij bent, hoe beter.’

Waarvoor wordt de bijdrage van het Amsterdams Universiteitsfonds gebruikt?
‘We hebben nu drie keer een bijdrage van het Amsterdams Universiteitsfonds ontvangen. De eerste keer om lipidenbepalingen te doen in bloed van zwangeren. Hiermee zijn verschillende onderzoeken gedaan, bijvoorbeeld om het effect van het voedingspatroon van de moeder tijdens de zwangerschap op die van het kind te verklaren. Deze keer is de bijdrage bedoeld om de non-respons te verhogen. Bij 11-12 jaar hebben we hiervoor ook een bijdrage ontvangen.

Wat we merken is dat de respons van de eerste 80 procent binnenkrijgen, je evenveel geld en moeite kost als de laatste 20 procent. Die 20 procent is erg interessant, daar zitten bijvoorbeeld niet-Nederlandse gezinnen tussen, en die willen we graag in de studie houden. Dat kost veel mankracht en geld. We bellen deze families meerdere malen, komen naar de wijk en bieden vragenlijsten in hun taal aan. We moeten het onderzoek vaak toelichten, als er een paar jaar tussen de contactmomenten zit, zijn mensen namelijk soms weer vergeten dat ze eraan meedoen.'

Wat hopen jullie in deze laatste fase van de studie te bereiken?
‘Het allerbelangrijkste is dat we de groep zo groot mogelijk houden en onderzoek kunnen blijven doen. Het wordt steeds interessanter, de kinderen worden ouder, en gaan allerlei transities door. Ze gaan straks studeren, krijgen hun eerste baan en relaties. Wij willen graag onderzoeken wat voor invloed dat heeft op hun mentale en fysieke gezondheid. Omdat we zoveel gegevens hebben uit de vroegere periode, kunnen we goed onderzoeken wat op welke momenten de belangrijkste factoren zijn om zo gezond mogelijk op te groeien. Dan weet je ook op welke momenten je zou moeten interveniëren en dat kun je eigenlijk pas zeggen als je de uitkomsten hebt op volwassen leeftijd.

We willen bijdragen aan de gezonde ontwikkeling van kinderen die opgroeien in Amsterdam. We hopen dat wij nog lang door kunnen gaan met de ABCD-studie en interessante metingen kunnen blijven doen. Het is ons tot nu toe steeds gelukt en we hebben er alle vertrouwen in dat het blijft lukken.’